Voor de meeste bewoners van de Zuidhollandse en
Zeeuwse eilanden braken, volkomen onverwacht, de
dijken bij de vreselijke storm van 1 februari 1953. Toch
waren er wel mensen, die al een poos bezorgd waren
over de toestand van de dijken. In die nacht stortte het
water zich in de lage polders, huizen en schuren met zich
meesleurend in een tomeloos geweld.
Veel mensen en heel veel dieren verdronken jammerlijk
in die rampnacht.
Degenen die zich hadden kunnen redden waren vaak beroofd
van alle aardse bezittingen.
Dit verhaal vertelt over mensen wier levenshouding en
levensdoel door het water volkomen werd veranderd.
Manke Nelis, de kastelein, is één van die figuren. Maar
ook de stevige smidsknecht Meeuwis de Krab, die tijdens
de watersnood vaste verkering krijgt met Hilletje
Spuibroek. De oude Krijn Visser van de Nieuwendij k,
een wat eenzelvig man maar met een groot geloof, die er
in die nacht met zijn hond in zijn roeiboot op uitgaat om
mensen en dieren te redden.
De knappe dochter van een Haagse advocaat, die in de
oorlogstijd enkele nachten onderdak kreeg bij Krijn Visser,
speelt in dit verhaal een grote rol.
Een door en door Hollands boek over die moeilijke tijd
voor de eilandbewoners, maar ook een tijd waarin kennelijk
werd ervaren dat de Heere machtig is en dat Hij in
Zijn onuitsprekelijke liefde mensen stilzette op de verkeerde
weg die ze waren ingeslagen. Beroofd van hun zekerheden
leerden ze in die tijd de toevlucht te nemen tot
Hem, die wolken, lucht en winden wijst spoor en loop en
baan.
De auteur heeft zelf in die dagen aan de Blaaksedijk gewerkt
en hij heeft de onafzienbare watervlakten gezien
en zich afgevraagd of dat nog ooit goed zou komen.
Het kwam goed, boven bidden en boven denken, maar
als de stormwind loeit en er gewaarschuwd wordt voor
"gevaarlijk hoog water", dan is er bij hem en bij veel eilandbewoners
nog altijd die angst voor het dreigende
water...