In 1440 verschanst paus Eugenius IV zich in de Engelenburcht in Rome terwijl buiten de muren de pest woedt. Hij wil de oosterse en de westerse kerken verenigen om de goddelijke toorn te bedaren. Daartoe vraagt hij een groep kunstenaars, waaronder de beeldhouwer Tristan, de schilder Fouquet en de muzikante Angèle de Waldo, om een voorstelling te maken waarmee hij indruk kan maken op Dorotheus van Mytilene, de gezant van Metrophanes II, de patriarch van Constantinopel.